Bij een enkele deur moet de min. vrije doorgangsbreedte 90 cm bedragen. Op die manier kan zowel een rolstoelgebruiker, persoon met een kinderwagen,... de binnendeur gebruiken.
Bij een dubbele deur moet minstens 1 deurblad een vrije doorgangsbreedte hebben van 90 cm.
Er zijn verschillende soorten deuren:
Bij een manuele deur is de kracht bepalend voor de toegankelijkheid. Een te zware deur is minder toegankelijk. Zowel voor rolstoelgebruikers als personen die slecht te been zijn, kan een deur met een te zware deurpomp moeilijk te openen zijn. De kracht mag max. 4 kg bedragen en kan gemeten worden met een zakveerbalans.
Een automatische deur is de meest toegankelijke deur. De openingstijd moet voldoende lang zijn zodat een moeilijke stapper niet gekneld geraakt tussen de deurbladen.
Plaats duidelijke contrastmarkering op ooghoogte zodat een slechtziende persoon er niet tegenaan kan lopen.
Bij de binnendeuren zijn er geen niveauverschillen aanwezig groter dan 2 cm. Niveauverschillen tot 2 cm worden zelfstandig overbrugd door een rolstoelgebruiker.
Een drempel wordt voorzien van een visuele contrastmarkering.
Voor een rolstoelgebruiker is het van groot belang dat er voor en na de deur voldoende manoeuvreerruimte is om de deur zelfstandig te kunnen openen. De vrije ruimte naast de deurkruk moet zowel 50 cm voor als achter de deur bedragen. Ook de vrije opstelruimte voor en achter de deur bedraagt min. 150 X 150 cm.
Het bedieningselement bij een manuele deur moet goed omgrijpbaar zijn. Een bedieningselement van het hefboomtype is de beste oplossing. Een draaiknop wordt niet als goed omgrijpbaar beschouwd omdat zo'n bedieningselement moeilijk te hanteren is door personen met een beperkte handfunctie. Ook de hoogte van het bedieningselement bepaalt de toegankelijkheid, nl. tussen 90 en 120 cm.
Voor slechtzienden is het van groot belang dat er een duidelijk onderscheid is tussen de deur en/of het deurkader en de omgeving. Door het contrasterend kleur kan een deur makkelijk worden teruggevonden.
Voorbeeld goed contrast
|
Voorbeeld slecht contrast
|
Niveauverschillen tot 2 cm worden zelfstandig overbrugd door een rolstoelgebruiker. Voor niveauverschillen van meer dan 2 cm zie Helling.
Alle niveauverschillen worden voorzien van een visuele contrastmarkering.
Gangen, sassen en overlopen hebben een breedte van min. 150 cm. Indien er deuren de gang indraaien, is de doorgangsbreedte min. 120 cm. Zo kunnen gebruikers van een kinderwagen, rolstoel, vervoerskarretjes, ... de looproute moeiteloos benutten.
De vrije doorgangshoogte in een loop- en rolroute is 210 cm.
Een route kan altijd versmald zijn door één of ander obstakel zoals brandslangkast, ... Een puntversmalling (een versmalling naar een bepaald punt en daarna terug een verbreding) heeft op het smalste punt een minimale doorgangsbreedte van 90 cm.
Op het einde van een gang moet een rolstoelgebruiker kunnen draaien. Daarvoor is een draaicirkel van 150 cm nodig.
De ondergrond van een gang is vlak, rolstoelvast, effen, stroef, aaneengesloten en horizontaal.
Obstakels in een gang zoals brandslangkasten, ... worden het best in een obstakelzone geplaatst. Zo worden de obstakels gegroepeerd op één plaats. Op die manier wordt de looproute obstakelvrij gehouden.
Voorbeeld obstakel in obstakelzone maar niet beveiligd:
Obstakels worden het best in contrast geplaatst:
Obstakels kunnen ook tot onderaan worden beveiligd. Personen met een visuele handicap die een stok gebruiken zullen zo niet tegen de obstakels aanlopen. Zij tasten met hun stok op een hoogte van 10 cm van de grond de omgeving af. Indien het obstakel niet tot onderaan beveiligd is, lopen ze er zo tegenaan.
Met behulp van een gids- en/of geleidelijn kan een persoon met een visuele handicap de weg in het gebouw vinden. Een geleidelijn is een kunstmatige lijn die aangebracht wordt. Een gidslijn is een natuurlijke lijn die gevolgd wordt. Een gidslijn kan bv. een muur zijn die gevolgd wordt door de gebruiker van een witte stok.